Kennis in lagen







Waarin een Universitaire Managementopleiding zich onderscheidt van MBA�s en andere Masteropleidingen voor Managers

Sinds vele jaren worden in Nederland masteropleidingen aangeboden voor managers. In deze opleidingen wordt met name bedrijfskundige kennis � doorgaans op het niveau van HBO of post-HBO - overgedragen. De bekendste zijn de MBA- (master of business administration) opleidingen. Deze postiniti�le masteropleidingen maken geen deel uit van het initi�le, door de overheid gefinancierde, onderwijs. Door de invoering in 2003 van de bachelor-masterstructuur bieden universiteiten ook masteropleidingen aan. Een aan een universiteitafgestudeerd bedrijfskundige verkrijgt een mastertitel, namelijk �Master of Science� (MSc). Via enkele universiteiten worden deze masteropleidingen ook aangeboden voor managers met een afgeronde HBO-opleiding en enkele jaren werkervaring. Waarin onderscheiden deze universitaire MSc-opleidingen zich nu van andere masteropleidingen voor managers? Onder meer de ABK Radboud Universiteit Nijmegen (ABK) verzorgt sinds 1991 een verkorte MSc-opleiding Bedrijfswetenschappen voor managers (2 � jaar, in de avonduren). Deze universitaire masteropleiding onderscheidt zich zowel in het doel als in het curriculum vanMBA�s of andere masteropleidingen voor managers.

 

Doel: academisch professional en academisch onderzoeker


Het doel van de universitaire MSc-opleidingen is hun cursisten te vormen tot academischprofessional en academisch onderzoeker. Bij de opleiding die door ABK wordt verzorgdligt daarbij de nadruk op de sociaalorganisatorische bedrijfskunde. Als academisch professional zijn cursisten na voltooiing van de opleiding in staat zelfstandig om te gaan met niet-routine problemen in organisaties. Met gebruikmaking van concepten en modellen uit de bedrijfskunde zijn zij in staat dit soort problemen te analyseren en tot innovatieve oplossingen te komen. Hiermee onderscheiden de cursisten zich van HBO-professionals die toch vooral zijn gericht op het omgaan met routine problemen in organisaties. Als academisch onderzoeker zijn cursisten in staat om zelfstandig onderzoek te doen naar organisaties en hun problemen en dergelijk onderzoek te beoordelen. Juist in deze vaardigheid, namelijk onderzoek kritisch te kunnen beoordelen en op een wetenschappelijk verantwoorde manier te kunnen uitvoeren, onderscheiden academisch opgeleide professionals zich van HBO-professionals.

 

 

Het curriculum: vijf �typen� kennis


Voor de universitaire MSc-opleidingen geldt dat cursisten academisch professional en onderzoeker worden in de sociaal organisatorische bedrijfskunde. De keuze voor dit perspectief is aan de ene kant gelegen in het toenemende belang van juist sociaalorganisatorische vraagstukken in moderne (kennis)organisaties. Aan de andere kant zijn zowel technologische ontwikkelingen als bedrijfseconomische resultaten in sterke mate afhankelijk van het vermogen van organisaties om samenwerking te organiseren. Dit vermogen wordt nu juist sterk gethematiseerd in de sociaal organisatorische bedrijfskunde.Om academisch professional en academisch onderzoeker in de, in dit geval, sociaal organisatorische bedrijfskunde te worden dienen cursisten zich verschillende typen kennisen vaardigheden eigen te maken. Hieronder behandelen we deze vijf typen, die naar onzemening wezenlijk zijn om juist als universitair bedrijfskundige af te studeren.

 

 

I. Externe ori�ntatie en interne afstemming


Zoals aangegeven richt de opleiding zich op de organisatie van de samenwerking in en tussenorganisaties. Het doel van deze samenwerking is uiteindelijk dat organisaties in staat zijn hundoelen aan te passen en te realiseren. Om zicht te krijgen op die samenwerking is ten eerstekennis nodig over de omgeving van organisaties. Organisaties functioneren immers in eenomgeving waarin zij proberen te overleven. Hiertoe dienen zij zich op deze omgeving enrelevante partijen daarin te ori�nteren. Ten behoeve van deze ori�ntatie is kennis nodigover de institutionele omgeving van organisaties, over strategie en marketing. Verder dienenorganisaties zicht te hebben op hun interne bedrijfsprocessen: op de manier waarop dezeprocessen worden uitgevoerd en bestuurd, op de manier waarop zij met hun personeelomgaan en op de resultaten van deze processen. Van een universitair opgeleide bedrijfskundige mag een relatief brede en diepgaande kennis van klassieke en actueleconcepten en modellen worden verwacht op de terreinen van de externe ori�ntatie en deinterne afstemming.

 

 

II. Analyse, ontwerp en verandering van de organisatorische infrastructuur


Alleen concepten en modellen die helpen bij externe ori�ntatie en interne afstemming zijnniet voldoende. Bedrijfskundigen zijn juist interessant voor organisaties vanwege hunkennis en vaardigheden met betrekking tot het scheppen van voorwaarden voor samenwerkingin organisaties. Zij doen dit door het analyseren en ontwerpen van de infrastructuur van organisaties die als een soort achtergrond en mogelijkheidsvoorwaarde fungeert voor de operationele werkprocessen en hun besturing. Bij de infrastructuur kan worden gedacht aande manier waarop het werk is verdeeld. Deze verdeling � de organisatiestructuur � is van wezenlijk belang voor het regel- en leervermogen van organisaties. Verder kan wordengedacht aan het scheppen van voorwaarden voor samenwerking door analyse en ontwerpvan het strategisch personeelsbeleid en de daarbij horende personeelssystemen. Tenslottehoort ook de technologie en in het bijzonder de informatie- en communicatiestructuur bijde infrastructuur van de organisatie. In onderlinge samenhang zijn deze elementen van de infrastructuur van wezenlijk belang voor het vermogen van organisaties om mensen te mobiliseren tot samenwerking en zo bij te dragen aan de voor levensvatbaarheid benodigde aanpassing en realisatie van organisatiedoelen. Natuurlijk is het analyseren en ontwerpen vande infrastructuur niet voldoende. Om als academisch professional te functioneren zijn ookkennis en vaardigheden met betrekking tot het veranderen van de infrastructuur van organisaties van belang. Naast analyse en ontwerp, dienen dus kennis en vaardigheden te worden verworven met betrekking tot verandering en ontwikkeling van organisaties en hun infrastructuur.

 

 

III. Principekennis: systeemtheorie en organisatietheorie


Van academisch geschoolde professionals wordt verwacht dat zij met niet-routine problemenin organisaties kunnen omgaan. Hiervoor is �handboekenkennis� over de belangrijksteconcepten en modellen in de bedrijfskunde wel een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde. Om met niet-routine problemen om te gaan is inzicht in achterliggende principes van de bedrijfskunde nodig. Immers, deze principes komen in vele gestalten in oude en nieuwe bedrijfsproblemen terug. Het vermogen om deze principes te herkennen en in te zetten bij het bedenken van innovatieve oplossingen voor steeds weer nieuwe problemen is kenmerkend voor iemand die als academisch professional functioneert. Deze bouwt immers nieuwe instrumenten en methoden op basis van een gedegen analyse van voorkomende problemen. De benodigde principekennis wordt in het universitaire curriculum aangeleverd door de systeem- en organisatietheorie. De systeemtheorie levert principekennis over de besturing van complexe systemen. Ze kan worden herkend in en gebruikt voor het omgaan met de steeds veranderende regelproblemen waarmee moderne organisaties te kampen hebben. De organisatietheorie biedt een verbindend perspectief op de aard van organisaties en is nodig om te begrijpen in wat voor een soort systeem je als bedrijfskundige eigenlijk werkzaam bent.

 

 

IV. Praktijk- en theoriegericht onderzoek: statistiek en onderzoeksmethodologie


Met de principekennis zijn nog niet alle elementen bijeengebracht die nodig zijn omals academisch professional en academisch onderzoeker te kunnen functioneren. Van universitair afgestudeerde bedrijfskundigen wordt namelijk verwacht dat ze zelfstandig onderzoek kunnen uitvoeren en beoordelen. Naast hun vermogen tot het creatief omgaan met nietroutine problemen is zelfstandige, wetenschappelijk verantwoorde, op onderzoek gebaseerde oordeelsvorming over bedrijfsvraagstukken een belangrijke meerwaarde van academisch afgestudeerde bedrijfskundigen. Dit onderzoek kan zowel praktijk- als theoriegericht zijn. Bij praktijkgericht onderzoek wordt op wetenschappelijk verantwoorde manier kennis vergaard ten behoeve van het omgaan met een bedrijfsprobleem, bijvoorbeeld door middel van een diagnose. In een theoriegericht onderzoek wordt op wetenschappelijke wijze kennis ontwikkeld om een bijdrage te leveren aan de bedrijfskunde als wetenschap.Voor beide vormen van onderzoek is ten eerste grondige kennis nodig over statistiek en onderzoeksmethodologie. Ten tweede dient deze kennis te worden toegepast in onderzoek om de benodigde wetenschappelijke vaardigheden te ontwikkelen. In een universitair bedrijfs-kundig curriculum mogen daarom vakken waarin methodologische kennis en vaardighedenworden aangeleerd niet ontbreken. Kennis van methoden en technieken en onderzoeksvaardigheden stellen de cursisten in staat kritisch om te gaan met managementmodes en interne en externe onderzoeken. Dit maakt hen tot relevante gesprekspartners in strategische beleidsdiscussies.

 

 

V. Oordeelsvorming en aandacht voor fundamentele vragen


Zelfs kennis en vaardigheden met betrekking tot statistiek en onderzoeksmethodologie zijnniet voldoende om als academicus �n bedrijfskundige te functioneren. Van academici magimmers worden verwacht dat zij hun vakgebied in een breder perspectief kunnen plaatsenen op een fundamentele manier kunnen reflecteren op uitgangspunten van dit vak gebied.Vragen als: �Wat zijn de grenzen aan de bestuurbaarheid van organisaties?�, �Wat is nueigenlijk wetenschappelijke kennis en onder welke voorwaarden komt deze tot stand?�,�Welke verantwoordelijkheid heb je als manager en hoe ga je om met morele dilemma�s?�dienen in een academische opleiding aan bod te komen. Om aan dit soort fundamentelevragen aandacht te besteden moet de universitair afgestudeerde bedrijfskundige ook kennishebben van het vak Filosofie en Management.

 

 

Kennis in �lagen�


Het is dus gemakkelijk gezegd dat cursisten worden opgeleid tot academisch professionalen onderzoeker. Bij nadere analyse blijkt dat hierbij tenminste vijf �lagen� van steeds fundamentelere kennis en vaardigheden nodig zijn. Kennis en vaardigheden met betrekkingtot: (1) externe en interne afstemming, (2) het analyseren, ontwerpen en veranderen vaninfrastructuren, (3) principes van de bedrijfskunde, (4) statistiek en onderzoeksmethodologieen (5) de wijsgerige grondslagen van de bedrijfskunde, lijken hiervoor onontbeerlijk.Met name de drie laatste �lagen� spelen bij het opleiden van universitair geschoolde bedrijfskundigen een cruciale rol.