Master of Sports

Sport speelt ontegenzeggelijk een belangrijke rol in onze maatschappij. Deze stelling wordt bijvoorbeeld gerechtvaardigd door het deel van de Nederlandse bevolking dat op enige wijze betrokken is bij sport. Zo doet 8 procent sportvrijwilligerswerk, 65 procent kijkt sport op tv en 34 procent is lid van een sportvereniging1.

Tegelijkertijd stelt de notitie van Crum2 dat de samenleving lijdt aan voortschrijdende bewegingsarmoede. Dit proces voltrekt zich onafhankelijk van ontwikkelingen op het gebied van sportparticipatie. Als gevolg van met name industrialisatie en digitalisering van het arbeidsproces en bewegingsarme vormen van transport, beweegt de hedendaagse mens steeds minder. Bewegingsarmoede is een belangrijke gezondheidsbedreigende factor. Voor de overheid geldt daarom dat sport en bewegen een belangrijk middel is om de gezondheid van burgers te verbeteren3.

Focus Master of Sports


Uit de analyse van de maatschappelijke behoeften op het gebied van sport is gebleken dat de overheid wil dat in de toekomst fysieke activiteit voor het grootste deel van de bevolking een vast onderdeel is van de leefwijze. Daarbij staan twee maatschappelijke waarden van sport (gezondheidswaarde en educatieve waarde) voorop. Er is een behoefte aan bruggenbouwers tussen de fundamentele wetenschappelijke theorie en de uitvoeringspraktijk. In Nederland bestaan tot op heden geen professionele masters op het gebied van sport en bewegen. De wo-masteropleidingen die zich in ons land bezighouden met de relatie tussen sport en gezondheid doen dat op een fundamenteel wetenschappelijk niveau. Er zijn in Nederland voorts geen masteropleidingen die zich bezighouden met het ontwerpen en onderzoeken van effectieve onderwijs- en bewegings(stimulerings)programma’s vanuit het oogpunt van het belang van sport en bewegen voor de ontwikkeling en vorming van mens en maatschappij.

Gezien de uitkomsten van het marktonderzoek dat Fontys Sporthogeschool (FSH) heeft gehouden, de gesignaleerde maatschappelijke ontwikkelingen en het huidige aanbod in het Nederlandse hoger onderwijs, heeft FSH ervoor gekozen te starten met de uitwerking van een opleiding Master of Sports met daarbinnen twee uitstroomprofielen: Education en Health.

De opleiding Master of Sports


In de praktijk van sport en bewegen houden velen zich al dagelijks bezig met de beïnvloeding van bewegingsgedrag, in bijvoorbeeld het onderwijs, de gezondheidszorg, de bewegingsstimulering en de fitnessbranche. Het ontbreekt hen echter vaak aan de kennis en kunde om deze praktijk evidence based vorm te geven. Onderwijs-, bewegingsstimulering- en trainingsprogramma’s bereiken daardoor in veel gevallen niet het beoogde effect. De opleiding Master of Sports richt zich dan ook met name op het ontwerpen en implementeren van bewezen effectieve programma’s. Daarbij staan de twee eerder genoemde maatschappelijke waarden van sport (gezondheidswaarde en educatieve waarde) centraal in respectievelijk de specialisaties/uitstroomprofielen Health en Education.

Uitstroomprofiel Health


In de meeste westerse landen wordt fysieke inactiviteit gezien als een belangrijke risicofactor voor de volksgezondheid. Regelmatige fysieke activiteit kan in potentie het risico op een verscheidenheid aan aandoeningen terugdringen. Zo is vastgesteld dat er minder kans is op hart- en vaatziekten, hersenbloedingen, type 2 diabetes, darmkanker, steoporose, depressie, en valgerelateerde verwondingen wanneer men voldoende beweging krijgt4. Hoewel de meeste mensen het belang van lichaamsbeweging kennen, is een groot deel van de westerse bevolking inactief. In ons land wordt aangeraden om minstens vijf maal per week, dertig minuten te bewegen op een matige intensiteit (de Nederlandse Norm Gezond Bewegen). Slechts 40 procent van de bevolking blijkt aan deze norm te voldoen5. Er is berekend dat de hiermee samenhangende ziektekosten een zeer grote druk leggen op de gezondheidszorg. De kosten voor gezondheidszorg die zijn toe te schrijven aan lichamelijke inactiviteit zijn in Nederland ongeveer 200 miljoen euro per jaar5. In dit licht is het niet verwonderlijk dat in verschillende adviesnota’s aanbevelingen zijn gedaan om dit probleem terug te dringen. Daarbij wordt een belangrijke rol toegekend aan het stimuleren van kennisontwikkeling en deskundigheidsbevordering op het gebied van fysieke activiteit en gezondheid.

Het uitstroomprofiel Health stelt zich tot doel professionals op te leiden die een bijdrage kunnen leveren aan het stimuleren van een actieve leefstijl ter bevordering van de gezondheid. De afgestudeerde zal in de meeste gevallen een zelfstandige en/of leidinggevende functie gaan bekleden.
In het uitstroomprofiel Health verwerven de studenten de competenties die zij kunnen aanwenden voor een kwaliteitsimpuls in de eigen beroepspraktijk, of voor het beschikbaar maken van kennis met directe praktijkrelevantie.

De afgestudeerde:
  • vertaalt wetenschappelijke inzichten naar de praktijk van:
    • sport- en bewegingseducatie;
    • de gezondheidszorg;
    • de breedtesport;
    • verschillende niveaus van sportbeleid;
  • verricht zelf toegepast wetenschappelijk onderzoek;
  • geeft leiding, is projectmanager;
  • stelt onderwijs-, sport- en bewegingsprogramma’s op;
  • weet zich te profileren en presenteren in de branche.

Uitstroomprofiel Education


Staat in het uitstroomprofiel Health het belang van sport en bewegen voor de gezondheid centraal, in het uitstroomprofiel Educatie wordt gefocust op het belang van sport en bewegen voor de ontwikkeling en vorming van mens (kind) en maatschappij. Hierbij zijn twee invalshoeken van belang, die van de (ped)agogiek en die van de sociologie:
  • Vanuit de (ped)agogiek wordt gekeken naar het effect van sport en bewegen op de ontwikkeling van het kind6. Enerzijds staat het leren bewegen zelf centraal (sport als doel), anderzijds beoogt sport bij te dragen aan de lichamelijke, mentale en sociale ontwikkeling en vorming (sport als middel)7/8.
  • Vanuit de sociologie wordt aan sport een aantal betekenissen (voor individuen) en functies (voor de maatschappij) toegedicht, zoals onder andere beschreven door Hoyng en de Knop9. Zij beschrijven onder meer de volgende (veronderstelde) betekenissen en functies: democratiserende werking van sport, distinctie door middel van sport, gezondheidsbevordering door sport, plezier in sport, identificatie met anderen door sport, integratie door sport, emancipatie door sport.

In het uitstroomprofiel Education worden de veronderstelde (ped)agogische en sociologische effecten van sport en bewegen op het individu en de samenleving kritisch bestudeerd. De mate van empirische ondersteuning voor deze effecten varieert en is altijd afhankelijk van de situatie. Toch wordt sport regelmatig gepresenteerd als een panacee, zoals in nota Tijd voor sport10. Er zijn de afgelopen jaren dan ook ontelbare initiatieven op het gebied van sport en bewegen genomen, zowel op landelijk als lokaal niveau, met als achterliggend doel één of meerdere van de genoemde effecten te bereiken. Voorbeelden zijn campagnes als Nederland in Beweging, Flash!, Communities in Beweging, en Move your Heart. Ook wordt de laatste jaren de roep steeds luider om school en sport sterker met elkaar te verbinden. Zo zijn er bijvoorbeeld de projecten in het kader van de BOS-impuls (buurt, onderwijs, sport) en is eind 2005 de alliantie School en Sport Samen Sterker gesloten tussen het ministerie van OCW en NOC*NSF. Het doel van deze alliantie is bij jongeren de basis te leggen voor een levenslange sportdeelname.

Bewegingseducatie op scholen is een (potentieel) krachtig middel, omdat scholen in principe alle jongeren in de leeftijd van vier tot ten minste zestien jaar bereiken. Maar ook buiten de onderwijscontext houden velen zich beroepsmatig bezig met bewegingseducatie, en daarmee direct of indirect met het bevorderen van (verantwoorde) sportparticipatie. Denk bijvoorbeeld aan settings als sportclubs, seniorensport, sportkoepels en bedrijfsfitness. In het uitstroomprofiel Education verwerft de student competenties om zowel binnen het onderwijs als daarbuiten wetenschappelijk onderbouwde, effectieve onderwijs- en bewegings (stimulerings)-programma’s op te zetten, en om hieraan effectmetingen te verbinden. Door het uitvoeren van toegepast onderzoek en het toegankelijk maken van reeds aanwezige kennis dragen afgestudeerden bij aan de professionalisering van de beroepsgroep. De afgestudeerde:
  • verricht toegepast wetenschappelijk (sport)onderzoek;
  • stelt onderwijs-, sport- en bewegingsprogramma’s op;
  • dineert en stelt opleidings- en trainingsprogramma’s op;
  • stelt sportnota’s, sportbeleidsnotities en plannen van aanpak op;
  • bepaalt richting en inrichting van zijn of haar organisatie(onderdeel) binnen de sportbranche;
  • geeft leiding, is projectmanager;
  • weet zich te profileren en presenteren in de sportbranche.

De opleiding wordt vanaf januari 2009 in deeltijd aangeboden. Deze keuze is bewust gemaakt omdat Fontys Soprthogeschool de link naar de praktijk wil leggen. Naast het feit dat een van de instroomeisen is dat de deelnemers minimaal twee jaar werkervaring hebben, dienen ze ook een werksetting te hebben waarin ze onderzoek kunnen doen. Op deze manier is er sprake van een wederzijdse terugkoppeling.

1. Breedveld K., A. Tiessen-Raaphorst (red.). Rapportage Sport 2006. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau, 2006.
2. Crum B. Over de versporting van de samenleving. Reflecties over bewegingsculturele ontwikkelingen met het oog op sportbeleid. Haarlem: De Vrieseborch, 2001.
3. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Sport, bewegen en gezondheid. Den Haag, 2001.
4. Mackinnon L.T., C.B. Ritchie, S.L. Hooper, P.J. Abernethy. Exercise management. Concepts and professional practice. Champaign, IL: Human Kinetics, 2003.
5. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Tijd voor gezond gedrag: bevordering van gezond gedrag bij specifieke groepen. Bilthoven: RIVM, 2002.
6. Stegeman H. Bewegingsonderwijs: Belang en bedoeling. Zeist: Jan Luiting Fonds, 2001.
7. Janssens, J. et al. Education through sport. An overview of Good Practices in Europe. Nieuwegein: Arko Sports Media, 2004.
8. Steenbergen, J. & Tamboer, J.W.I. Sport Filosofie. Leende: DAMON, 2000.
9. Hoyng J., P. de Knop. De sociale functies en betekenissen van sport. In: Sportsociologie, het spel en de spelers. P. de Knop, B. Vanreusel, J. Scheerder (red.). Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg, 2002.
10. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Tijd voor sport. Bewegen, Meedoen, Presteren. Den Haag, 2005.