Waarin onderscheidt een MSc Bedrijfskunde zich van een MBA?

Auteur: dr. Jan Achterbergh

Sinds de invoering van de Bachelor-Master structuur bieden universiteiten ook masteropleidingen aan. Een aan een universiteit afgestudeerde bedrijfskundige krijgt dan de mastertitel ‘Master of Science’ (MSc). Via enkele universiteiten wordt de masteropleiding Bedrijfskunde ook aangeboden als universitaire managementopleiding voor managers met een afgeronde hbo-opleiding en enkele jaren werkervaring. Waarin onderscheiden deze universitaire MSc-opleidingen zich van andere masteropleidingen voor managers? 

Eén van de universiteiten die een verkorte MSc-opleiding managers voor managers verzorgt is ABK Radboud Universiteit Nijmegen (ABK). Deze universitaire masteropleiding onderscheidt zich zowel in het doel als in het curriculum van MBA’s of andere masteropleidingen voor managers.
 

Managers not MBA’s

Het door MBA’s gedomineerde managementonderwijs geeft een verwrongen beeld van wat management is. Dat stelt Henry Mintzberg in zijn spraakmakende studie Managers not MBA’s. Hij ondersteunt deze stelling door zijn visie op wat managementonderwijs doet af te zetten tegen wat management is.
 
Managementonderwijs leidt volgens Mintzberg twee soorten managers op: ‘calculerende technocraten’ of ‘helden’. “An education that overemphasizes the science encourages a style of managing I call ‘calculating’ or, if the graduates believe themselves to be artists, as increasing numbers now do, a related style I call ‘heroic’. Enough of them, enough of that. We don’t need heroes in positions of influence any more than technocrats.”
 
Management, daarentegen, is volgens Mintzberg een praktijk die vraagt om een uitgekiende combinatie van ervaring, vaardigheid en wetenschap. Het vraagt om toegewijde mensen die zonder al te veel bravoure een ‘engagerende’ stijl van leidinggeven hanteren. Mensen die niet alleen worden gemotiveerd door een hogere aandeelhouderswaarde, maar worden gedreven door de wil een sterkere organisatie achter te laten.
 
Deze visie op management en haar praktijk is niet nieuw. Al bij Aristoteles vinden we hoe in iedere praktische vaardigheid, ervaring; weten dat iets het geval is of werkt, samengaat met de wetenschap; weten waarom iets het geval is of werkt. Aristoteles voegt daar nog iets belangrijks aan toe. Praktische vaardigheid dient te worden geleid door morele deugd en praktische wijsheid. Immers, praktische vaardigheid zonder moreel richtsnoer richt zichzelf en zijn omgeving te gronde.
 
Volgens Mintzberg is het nodig het managementonderwijs terug te geven aan de praktijk van het managen. Voor het door ABK verzorgde wetenschappelijk onderwijs aan managers betekent dit dat academische professionals worden opgeleid die:
  • Ervaring en wetenschap in hun managementpraktijk inzetten op een manier die medewerkers engageert en mobiliseert;
  • zich bewust zijn van de (maatschappelijke) verantwoordelijkheid van hun handelen;
  • organisaties kunnen zien als systeem en niet alleen als een verzameling van elkaar deels aanvullende en deels tegenwerkende functies zoals logistiek, strategie, personeel, kwaliteit.
Om aan deze eisen te voldoen zijn vijf typen kennis en daaraan gekoppelde vaardigheden nodig.
 

Curriculum: vijf ‘typen’ kennis en vaardigheden

Voor de MSc-opleiding van ABK geldt dat cursisten academisch professional worden in de sociaal- organisatorische bedrijfskunde. De keuze voor dit perspectief is aan de ene kant gelegen in het toenemende belang van juist sociaal-organisatorische vraagstukken in moderne (kennis)organisaties. Zowel het behalen van bedrijfseconomische resultaten en het bereiken van duurzaamheid zijn in sterke mate afhankelijk van het vermogen van organisaties om samenwerking te organiseren. Dit vermogen wordt nu juist sterk gethematiseerd in de sociaal-organisatorische bedrijfskunde.
 
Om academisch professional in de sociaal-organisatorische bedrijfskunde te worden dienen cursisten zich vijf typen kennis en vaardigheden eigen te maken:
 

I. Principes met betrekking tot organisaties als systemen

Van academisch geschoolde professionals wordt verwacht dat zij inzicht hebben in organisaties als complexe systemen die zich in een complexe omgeving dienen te handhaven. Organisaties bestaan niet alleen uit aparte afdelingen zoals personeelszaken, logistiek, financiën en strategie. Het zijn systemen waarin deze afdelingen een rol spelen.
 
Verder mag van academische professionals verwacht worden dat ze met niet-routine problemen in organisaties kunnen omgaan. Hiervoor is ‘handboekenkennis’ over de belangrijkste concepten en modellen in de bedrijfskunde wel een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde. Om met niet-routine problemen om te gaan is inzicht in achterliggende principes van de bedrijfskunde nodig. Immers, deze principes komen in vele gestalten in oude en nieuwe bedrijfsproblemen terug. Het vermogen om deze principes te herkennen en in te zetten bij het bedenken van innovatieve oplossingen voor steeds weer nieuwe problemen is kenmerkend voor iemand die als academisch professional functioneert. Deze bouwt immers nieuwe instrumenten en methoden op basis van een gedegen analyse van voorkomende problemen. De benodigde systeem- en principekennis wordt in het ABK curriculum aangeleverd door het vak systeemtheorie.
 

II. Analyse, ontwerp en verandering van de organisatorische infrastructuur

Als systeem hebben organisaties infrastructuur. Onder deze infrastructuur wordt verstaan: (1) de verdeling van het werk, (2) de inrichting van het strategisch personeelsbeleid en de daarbij horende personeelssystemen, en (3) het ontwerp van de productie en informatietechnologie. De inrichting van de infrastructuur is van doorslaggevend belang voor de prestaties, flexibiliteit en het innovatievermogen van organisaties. Een slecht ingerichte infrastructuur zet een organisatie al direct op achterstand, hoe goed en betrokken de medewerkers en leidinggevenden ook zijn.
 
Academische professionals in de sociaal-organisatorische bedrijfskunde zijn juist interessant voor organisaties vanwege hun kennis en vaardigheden met betrekking tot het scheppen van voorwaarden voor samenwerking in organisaties. Zij zijn in staat de infrastructuren te analyseren, te ontwerpen en te veranderen. Op deze manier worden vanuit een systeemperspectief voorwaarden geschapen om mensen te mobiliseren tot samenwerking die bijdraagt aan de levensvatbaarheid van organisaties Het kunnen bouwen aan infrastructuren is een voorwaarde voor het bouwen van de sterkere organisaties waar Mintzberg zo voor pleit.
 

III. Externe oriëntatie en afstemming

De levensvatbaarheid van een organisatie hangt niet alleen van haar infrastructuur af. Ze vraagt ook om oriëntatie op en afstemming met de omgeving. Ten behoeve van deze oriëntatie is kennis nodig over de institutionele omgeving van organisaties, over de formulering en uitvoering van strategie en over methoden en technieken ten behoeve van marketing. Ook hier is het belangrijk om de bijdrage van deze disciplines te zien tegen de achtergrond van de levensvatbaarheid van de organisatie als geheel en de belangrijke, en tegelijkertijd precaire, rol die organisaties in en voor onze samenleving vervullen.
 

IV. Praktijk- en theoriegericht onderzoek

Van universitair afgestudeerde bedrijfskundigen mag worden verwacht dat ze niet alleen de kennis en vaardigheid hebben om de resultaten van wetenschap in hun praktijk te gebruiken. Ze dienen ook zelfstandig onderzoek te kunnen opzetten en uitvoeren. Dit kan zowel praktijkgericht als theoriegericht onderzoek betreffen. Bij praktijkgericht onderzoek wordt op wetenschappelijk verantwoorde manier kennis vergaard ten behoeve van het omgaan met een bedrijfsprobleem, bijvoorbeeld door middel van een diagnose. In een theoriegericht onderzoek wordt op wetenschappelijke wijze kennis ontwikkeld om een bijdrage te leveren aan de bedrijfskunde als wetenschap. Voor beide vormen van onderzoek is ten eerste grondige kennis nodig over statistiek en onderzoeksmethodologie. Ten tweede dient deze kennis te worden toegepast om de benodigde wetenschappelijke vaardigheden te ontwikkelen.
 
Naast het vermogen om organisaties als geheel en problemen in onderling verband te kunnen zien, is het een meerwaarde van academisch afgestudeerde bedrijfskundigen dat zij onderzoek in en naar organisaties kunnen uitvoeren en beoordelen.
 

V. Oordeelsvorming en aandacht voor fundamentele vragen

Zelfs kennis en vaardigheden met betrekking tot het doen van onderzoek is niet voldoende om als academisch professional in organisaties te functioneren. Van academici mag immers worden verwacht dat zij hun vakgebied in een breder perspectief kunnen plaatsen en op een fundamentele manier kunnen reflecteren op de uitgangspunten ervan.
 
Hierbij gaat het in de eerste plaats om vragen die betrekking hebben op de maatschappelijke rol van organisaties en de consequenties daarvan voor het management en haar medewerkers. Vragen als: Welke verantwoordelijkheid heb je als manager en hoe ga je om met morele dilemma’s?, dienen in een academische opleiding aan bod te komen. Maar ook vragen als, Hoe bestuurbaar zijn organisaties nu eigenlijk? en Wat is de status van de wetenschappelijke kennis waarvan gebruik wordt gemaakt bij het managen en inrichten van organisaties? Met de reflectie op dit soort vragen wordt tegemoet gekomen aan de morele eis van Aristoteles met betrekking tot praktische vaardigheden.
 
Alhoewel deze vragen in alle onderdelen van het curriculum aan de orde komen, is het vak Filosofie en Management in het curriculum opgenomen om langer bij deze vragen stil te kunnen staan.
 

Kennis en vaardigheden in ‘lagen’

Het is dus gemakkelijk gezegd dat cursisten worden opgeleid tot academisch professional in de sociaal-organisatorische bedrijfskunde. Bij nadere analyse blijkt dat hierbij tenminste vijf ‘lagen’ van steeds fundamentelere kennis en vaardigheden nodig zijn. Kennis en vaardigheden met betrekking tot: (1) de systeemtheoretische principes van organisaties, (2) het analyseren, ontwerpen en veranderen van infrastructuren, (3) externe oriëntatie en afstemming, (4) het doen van praktijk en theoriegericht onderzoek in en naar organisaties en (5) reflectie op de maatschappelijke en morele dimensie van organisaties en de bedrijfskunde, zijn hiervoor onontbeerlijk.